Kerstavond
Ik vind het nooit zo erg om te werken tijdens kerstavond. Dit jaar voelt het alleen anders.
Het is de eerste kerst zonder mijn opa. Hij is afgelopen jaar overleden. Ik merk dat ik er telkens aan moet denken. Ik mis hem, maar dat is logisch, toch?
Ik ben een paar maanden geleden geslaagd voor de opleiding en ik heb een baan in de wijkzorg. Nog geen rijbewijs, dus ik doe alles op de fiets. En dat is best koud.
Gelukkig vind ik mijn werk leuk en dat maakt veel goed. Maar ik zie er wel een beetje tegen op om straks naar huis te gaan. Als mijn dienst om tien uur is afgelopen ga ik nergens meer naartoe. Dan ben ik alleen.
‘Hé jongen, hoe is het?’ vraagt meneer wanneer ik binnenkom.
‘Goed hoor, en met u?’ antwoord ik, terwijl ik een beetje ril van de kou.
‘Tja, het gaat wel hè, ik zit hier ook maar alleen en dat is best saai,’ zegt meneer met een lach. Maar ik kan zien dat hij het meent.
Meneer is jaren geleden gescheiden en zijn kinderen wonen in het buitenland. Meestal kan hij hier goed mee omgaan, maar deze dagen is het voor hem ook anders.
‘Komen uw kinderen dit jaar nog op bezoek?’ vraag ik.
‘Nee jongen, helaas. Die hebben het ook druk hè…’ antwoordt meneer.
Het is even stil.
Misschien moet ik later nog even langskomen, denk ik bij mezelf. Waarom ook niet? Ik heb toch niets te doen.
‘Zal ik straks nog even langskomen? Aan het einde van mijn route?’
‘Natuurlijk jongen, je bent van harte welkom!’ antwoordt meneer met een dankbare lach.
Ik ga verder met mijn ronde. Nog een paar mensen helpen.
Een uur later sta ik weer voor zijn deur.
‘Daar ben je weer!’ zegt meneer.
‘Jazeker, ik ben klaar met het werk!’
Hij lacht. Hij vindt het fijn dat ik er ben. En eerlijk gezegd vind ik het zelf ook fijn. Anders zat ik thuis, in mijn eentje.
‘Wil je een biertje?’ vraagt meneer.
‘Kan dat wel?’ vraag ik met een lach.
‘Dat kan zeker jongen. En als je baas erachter komt, dan zeg je maar dat je het moest drinken van mij!’
We drinken een biertje. We eten wat chips. We praten over van alles en het is gezellig en fijn.
‘Bedankt hè, jongen!’ zegt meneer als ik vertrek.
‘U ook bedankt. Tot de volgende keer.’
Meneer zwaait nog vanuit de deuropening. Ik ga naar huis met een gevoel dat ik niet goed kan benoemen.
Niet eenzaam meer. Dat weet ik wel.
