Het is goed zo

‘Ha Toon, hoe is het?’ vraag ik zachtjes terwijl ik naar zijn kamer loop.

‘Goed goed, ja altijd goed hè,’ antwoordt hij met zijn kenmerkende glimlach.

Ik zie dat hij wat scheef in bed ligt en zijn lakens helemaal in de war zijn.

‘Je ligt een beetje scheef. Zal ik die lakens eventjes goed leggen?’

‘Ja nou, da kennie hè? Zeker. Is goed, is goed.’

Net voordat ik zijn kamer wil verlaten zegt Toon: ‘Volgens mij ken ik jou ergens van ja. Ik weet het niet, effekes denken, ja.’

‘Denk er maar eens over na Toon, dan kom ik straks weer even langs.’

‘Ja da’s goed, is goed,’ antwoordt Toon. Ik zie hem nadenken maar ik zie ook dat hij moe is.

Wat een bijzondere man, denk ik bij mezelf terwijl ik naar de gang loop. Toon vindt alles prima en zal niet snel om hulp vragen. Voor mij een goede reden om wat vaker bij hem te gaan kijken tijdens mijn nachtdienst.

Drie dagen later heb ik weer nachtdienst. Tijdens de overdracht hoor ik dat er verschillende mensen positief zijn getest op COVID. Toon is er één van.

Ik loop zijn kamer binnen, volledig in beschermende kleding. Ik open de deur en zie het meteen. Het gaat niet goed met Toon. Hij hoest, proest en heeft het ontzettend benauwd.

‘Toon, ik ga je wat geven tegen die benauwdheid, oké?’

‘Ja, ja,’ antwoordt hij met moeite.

Ik geef Toon de medicatie en hoop dat hij zich wat comfortabeler gaat voelen.

Een klein half uur later ga ik weer bij hem kijken. Het effect van de medicatie is minimaal. Toon is nog steeds niet comfortabel. Hij hoest en knikt nee. Ik weet genoeg en besluit de arts te bellen.

Na een kort telefonisch overleg ben ik weer bij Toon.

‘Toon, wil jij slapen? Zodat je wat rust kunt vinden?’ vraag ik terwijl ik zijn hand vastpak.

‘Ja, ja,’ zegt hij nog steeds met veel moeite.

‘Dit kan zo niet hè? Ik ga je iets geven zodat je wat kunt rusten, oké?’ Toon knijpt in mijn hand en knikt ja.

‘Dit kennie, dit kennie,’ zegt hij met moeite.

Ik geef Toon de slaapmedicatie en blijf wachten op zijn kamer. Ik wil niet dat hij alleen is.

Na ongeveer vijftien minuten zie ik dat Toon wat rust vindt. Hij ademt rustiger. Fijn, denk ik bij mezelf.

Ik doe mijn beschermende pak uit en verlaat zijn kamer met gemixte gevoelens.

Twintig minuten later kijk ik door de deuropening. En op het moment dat ik Toon zie liggen, schrik ik. Hij ademt niet meer.

Ik trek mijn pak weer aan en ga naar hem toe. ‘Toon? Toon?’ zeg ik terwijl ik zijn polsslag probeer te voelen.

Het is stil in de kamer. Het tikken van de klok is het enige geluid dat ik hoor. Ik voel geen hartslag en zie geen ademhaling.

Dit was het dan. Toon is heengegaan. En ik was er niet bij toen het gebeurde. Verdomme, denk ik bij mezelf. En tegelijkertijd besef ik heel goed dat Toon dit graag alleen wilde doen. Op zijn eigen manier, op zijn eigen moment.

Toon is tussen 02:00 en 02:30 overleden.

Ik bel de naasten van Toon. Ze komen naar het hospice. Het verdriet is groot maar ze zijn blij dat hij zijn rust heeft gevonden.

‘Het war zo’n goei menneke. Wij zijn verdrietig maar onze Toon is goed af. Het is goed zo. Bedankt hè broeder, fijn dat je er voor hem was,’ zegt de zus van Toon wanneer ze weer naar huis gaan.

Toon is overleden op 16 december 2020.

Vergelijkbare berichten