|

Opa Joop

Op mijn rechterarm staat een tatoeage. Een papieren bootje, gevouwen van het soort papier dat je overal vandaan haalt. Mijn opa vouwde ze altijd voor me. Hij maakte ze van bierviltjes, van kassabonnen, van de hoeken van kranten. Overal waar we samen waren, verscheen er op een gegeven moment zo’n bootje.

Opa Joop was niet zo’n diepzinnige man. We voerden geen grote gesprekken over het leven. Maar hij was er gewoon. Mijn ouders scheidden toen ik drie was en mijn moeder moest werken, dus ik bracht veel tijd door bij opa en oma. Oma was zorgzaam en ongelooflijk trots op haar eerste kleinkind. Opa vond alles goed. Hij leerde me schieten met een buks, gaf me een alarmpistool voor mijn zesde verjaardag en nam me mee door de bossen op de fiets. Met de simpelste dingen maakte hij hele mooie dagen.

Er is maar één zin van hem die me altijd is bijgebleven. Geen wijsheid, geen levenles. Gewoon een zinnetje dat hij zei als ik ergens mee worstelde, als ik twijfelde of iets wel zou lukken.

‘Gij komt er wel, jongen.’

Meer niet. Maar het was genoeg.

In 2013 overleed hij. Ik was net begonnen met mijn opleiding in de zorg. Hij vond het maar niks, die witte jassen en zo, maar hij oordeelde nooit over de keuzes die ik maakte. ‘Gij komt er wel.’

Ik liep van het ziekenhuis naar huis na zijn dood. Het was verdrietig, maar ik herinner me ook een gek, energiek gevoel. Alsof er iets doorging. Alsof hij niet echt weg was.

Jaren later, toen mijn zoontje werd geboren, had ik precies diezelfde sensatie. Ik geloof niet dat mijn opa in mijn zoontje voortleeft. Maar ze zijn wel onlosmakelijk aan elkaar verbonden in mijn hoofd. Dood en geboorte horen bij elkaar. Dat besef ik elke keer opnieuw.

De tatoeage is gemaakt met een beetje as van hem erin. En een beetje van mijn oma, zijn grote liefde. Ze zijn nu allebei weg. Maar het bootje zit op mijn arm. En soms, als ik het zie, hoor ik hem weer.

‘Gij komt er wel, jongen.’

Opa had gelijk.

Vergelijkbare berichten