Bent u bang voor de dood?
Bent u bang voor de dood?’ ‘Nee, eigenlijk niet. Ik wacht het gewoon af. Ik merk wel dat ik nog heel veel wil zeggen,’ antwoordt meneer.
Hij zit in bed en kijkt voor zich uit. Het zonlicht valt door het raam op zijn gezicht. Ik zie de emoties in zijn ogen. Hij is nu twee weken in het hospice.
‘Wat wilt u dan nog zeggen?’ vraag ik hem.
‘Ah, nog zoveel! Vooral hoe dankbaar ik ben. Ik vind het zo bijzonder dat de mensen om me heen zoveel voor mij doen. Mijn dochters, mijn schoonzoon, familieleden. Iedereen is er. Zelfs jij bent nu hier. Daarvoor ben ik dankbaar.’
Meneer straalt wanneer hij het zegt. Hij meent dit vanuit de grond van zijn hart. Wat een bijzondere man is het…
Twee weken geleden werd ik door een collega gebeld. Ze vertelde me dat meneer is opgenomen in het hospice. Ik schrok, terwijl ik wist dat dit zou gaan gebeuren. In de maanden daarvoor kwam ik regelmatig bij hem. Hij was gestopt met de dialyse en accepteerde dat hij nu niet lang meer zou leven. Meneer woonde bij zijn dochter in huis. Daar wilde hij in de laatste fase van zijn leven zijn.
Meneer en ik konden het vanaf het begin goed met elkaar vinden. Heel bijzonder is dat eigenlijk. We praatten over van alles, met name over het leven. We begrepen elkaar zonder veel te zeggen. Dat is zo bijzonder, ik heb dat nog nooit zo intens met iemand meegemaakt. Meneer was destijds negenentachtig en ik vijfentwintig.
Op een gegeven moment kreeg ik een andere opdrachtgever en hoefde ik niet meer naar hem toe. Ik beloofde hem nog eens langs te komen. Dit meende ik echt, het kwam er alleen niet van. Ik ben dan ook heel dankbaar voor het telefoontje van mijn collega.
‘Wat denkt u dat er gebeurt als u overlijdt?’ ‘Een goede vraag, waar geen antwoord op is, hè?’ ‘Nee, maar u hebt daar vast en zeker gedachten over…’ ‘Dat klopt, jongen! Ik ben er wel uit, denk ik. Retour afzender…’ ‘Retour afzender?’ ‘Ja, gewoon terug naar waar je vandaan komt.’ ‘Misschien klopt uw theorie.’
‘Ik weet het in ieder geval eerder dan jij!’ ‘Dat weet u niet zeker.’ ‘Het is wel heel waarschijnlijk.’ ‘Ja, daar hebt u natuurlijk gelijk in. Ik kom volgende week weer langs, oké?’ ‘Is goed, jongen. Bedankt voor je komst, hè.’ ‘Nee, u bedankt!’
Dit soort gesprekken voerden we. Meneer was oprecht geïnteresseerd in wat andere mensen te zeggen hebben. Hij oordeelde niet en zette me aan het denken over van alles en nog wat. Ik kan niet precies omschrijven wat ons contact zo bijzonder maakte. Daar hadden we het samen ook over, maar we kwamen er niet precies achter waar de klik nu in zat.
Dan zei hij: ‘De mooiste dingen kun je niet omschrijven, volgens mij.’ Ook daarin had hij gelijk. Misschien maakt dat het ook zo speciaal.
We spraken regelmatig over de liefde. En dan niet over de liefde in de zin van een relatie tussen man en vrouw, maar over liefde in het grote geheel. Over wat ons verbindt als mensen. Zonder liefde is alles zinloos. Meneer ervaarde zoveel liefde om zich heen. Hij kon niet begrijpen waar hij dat aan te danken had. Ik begreep het wel.
Op een avond in het najaar kreeg ik een berichtje van de schoonzoon: hij is aan zijn laatste fase begonnen, Tommie. Hij eet en drinkt niet meer.
Dit raakte me. Ik ging de volgende dag meteen naar het hospice.
Ik liep de kamer binnen, de hele familie was aanwezig. Deze mensen waren zo liefdevol. Ze praatten met me alsof ik een van hen was. Dat voelde heel bijzonder.
Meneer lag op bed, in een diepe slaap. Ik ging naast zijn bed zitten en pakte zijn hand vast. Ik voelde mijn emoties naar boven komen, mijn ogen werden vochtig. Meneer reageerde niet meer met woorden. Hij lag rustig in bed en er rolde een traan over zijn wang.
Dit raakte me intens. Niet op een verdrietige manier, maar het gaf me rust. Het was goed zo…
Het was tijd om te gaan, de familie was samen. Ik keek de kamer rond en zag de liefde tussen deze mensen. Meneer vond dit prachtig, dat wist ik zeker.
Hij overleed een paar dagen later.
Retour afzender…
Ik zal deze man nooit vergeten.
Tommie Niessen Verpleegkundige, auteur en spreker
